Een beestachtige geschiedenis van de filosofie

Franciscus van Assisi (die van dierendag) hield net zo min van dieren als de oude Grieken en Romeinen, laat Erno Eskens zien. En onder de moderne mens lijden dieren nóg, lezen we bij Matthieu Ricard.

Leve het dier, Filosoof Erno Erskens pleit voor volledig burgerschap van dieren

Door: Caspar Janssen 3 oktober 2015, 02:00, De Volkskrant

Het dier leeft, dat is om te beginnen een veilige constatering. Op tv zijn het allang niet meer alleen de Evangelische Omroep en Vara's Vroege Vogels die het dierenrijk in beeld proberen te brengen. In de bioscoop trekken natuurfilms van eigen bodem met dieren in de hoofdrol volle zalen. En in het echte leven lopen de gemoederen hoog op. Over het lot van dieren in de bio-industrie, over vlees eten versus het klimaat, over de jacht, over dierenleed in de Oostvaardersplassen. Deze ontwikkeling beperkt zich niet tot Nederland, in de rest van Europa en in de Verenigde Staten spelen dezelfde discussies.

Ook de boekenmarkt laat zich niet onbetuigd, maar als vleeseter - flexitariër zeg je dan verontschuldigend - is het niet direct een aanlokkelijk idee om je door vele pagina's proza heen te werken van vegetariërs die zich hebben voorgenomen om nu eens op te schrijven waar het op staat. Voor je het weet word je als lezer het onderwerp van een strafexpeditie.


Veranderende kijk op dieren

Filosoof Erno Eskens - eerder schreef hij Democratie voor dieren - is zich overduidelijk bewust van het gevaar om te preken voor eigen parochie. In Een beestachtige geschiedenis van de filosofie probeert hij de vraag te beantwoorden die je wel graag beantwoord wilt zien: hoe is het zo gekomen? Hoe kan het dat er in de laatste eeuwen langzaam meer oog is gekomen voor het dier en zijn belangen? Eskens schetst hoe filosofen in de loop van de geschiedenis dachten over dieren en, via hun beeld van dieren, over de mens. 'In de vergelijking krijgt de menselijke identiteit vorm.'

Eskens gebruikt in zijn boek de zogeheten zielenwagen van Plato om de veranderende kijk op dieren te ordenen. Volgens Plato (427-347 v.Chr.) worstelt de mens met drie fundamentele neigingen. Ten eerste zijn we geneigd ons te vereenzelvigen met ons organisch-dierlijke lichaam, wat Plato vergelijkt met de oerkracht van een ongetemd zwart paard. De tweede neiging is die van het deugdzame witte paard: we willen ons met de groep associëren, we zijn immers kuddedieren. De derde en zwakste neiging, aldus Plato, is die om met ons intellect plannen te maken en utopisch te denken: de wagenmenner die het span paarden aanstuurt. Aan deze intellectuele, typisch menselijke neiging mogen we altijd toegeven, zegt Plato. 'Wees als de wagenmenner die het witte en het zwarte paard de bit in doet en hen met teugels de juiste kant op stuurt', zo parafraseert Eskens hem.

Dier als grondstof

In het tijdperk van de wagenmenner wordt het dier voornamelijk gezien als grondstof. De natuur heeft alle dieren gemaakt omwille van de mens, vindt Aristoteles. Het beest (brutus) heeft geen taal, geen intellect en volgens velen ook geen gevoel en levensdoel. Het woud, met de dieren, is het door het intellect nog onontgonnen terrein. Dieren hebben vooral een symbolische functie. Als ze al eens eigenzinnig of planmatig lijken te handelen, zoals de vos en de kat, ziet men ze als wezens waar de duivel in is gevaren. De Grieken hadden geen compassie met dieren, de Romeinen niet en de christenen al helemaal niet.

In de middeleeuwse kloosters proberen monniken hun eigen dierlijkheid en sociale gevoelens te negeren om zo ruimte te maken voor het intellect. Het onderdrukken van lichamelijkheid, het temmen van het zwarte paard, gaat in het onderwijs gepaard met harde hand. Zelfs Franciscus van Assisi, wiens sterfdag (4 oktober) in 1929 tot werelddierendag werd uitgeroepen, hield helemaal niet van dieren. Integendeel: hij toont slechts zijn intellectuele weerbaarheid door de chaos van de natuur te weerstaan. Hij brengt Gods woord tot op de laagste sport van de natuurlijke ladder.

Franciscus van Assisi was beslist niet de enige met opvattingen over dieren die nu eigenaardig worden gevonden. Zo ziet René Descartes (1596-1650) het dier als machine - er worden in zijn periode dieren nagebouwd. Hij snijdt levende honden open om de bloedsomloop te onderzoeken. Dieren ervaren pijn, maar op een mechanische manier, stelt hij. Die pijn betekent niets.

Emancipatie

Je kunt kanttekeningen plaatsen bij de ordening in tijdperken door Eskens, maar in de verhaallijn in dit rijke boek is ontegenzeglijk een richting te ontwaren, van filosoferen tot onderzoeken bijvoorbeeld. Door ethologen en biologen neemt de kennis van dieren enorm toe. Dieren blijken dichter bij ons te staan dan we dachten, blijken intelligenter, zijn in staat tot sociale interactie en ervaren pijn. Tegelijkertijd gaat de mens, sinds Jean-Jacques Rousseau (1712-1778), op zoek naar zijn onderdrukte dierlijkheid. Zoals Eskens stelt: we leven in het tijdperk van het zwarte paard. Mens en dier groeien zogezegd naar elkaar toe.

Eskens toont aan dat de visies op mens en dier samenhangen. De emancipatie van het dier acht hij een logisch vervolg op de emancipatie van de slaaf, de vrouw en de zwarte medeburger. Uiteindelijk pleit hij voor een 'volledig burgerschap van dieren'.

Dat moment lijkt nog ver weg, ook Eskens sluit zijn ogen niet voor de gelijktijdige ontwikkeling van meer vleesproductie en pogingen van de genetische wetenschap om bijvoorbeeld pijnreceptoren bij productiedieren uit te schakelen, waarmee ze weer als ding of machine kunnen worden gezien.

Gruwelijkheden

Voor een opsomming van alle gruwelijkheden die de mens uitvoert met dieren kunnen we terecht bij Matthieu Ricard, de Franse bioloog, boeddhist en persoonlijk vertaler van de dalai lama. Waarom ik mijn vrienden niet opeet - pleidooi voor dier, mens en aarde heet zijn boek. Daarmee is de strekking wel duidelijk en, valt te vrezen, ook het lezerspubliek: overtuigde vegetariërs. Nee, stelt Ricard in de inleiding, hij schreef geen 'donderpreek', maar uit het betoog dat volgt, is geen ontsnapping mogelijk. De beweegredenen (Ricard noemt het excuses) om vlees te eten worden stuk voor stuk behandeld, dat wil zeggen: ontkracht. Vlees eten is eigenlijk slecht voor alles, aldus Ricard. Voor het milieu, voor de natuur, voor het klimaat, voor de mens, en uiteraard voor het dier. 'Eén hectare land kan vijftig veganisten of twee vleeseters voeden', zo vat hij het probleem van het ruimtebeslag van de veeteelt ('60 procent van het wereldwijd beschikbare land') samen.

Zedenpreek

Ricard schuwt grote woorden niet, hij noemt de 'massale slachting' van dieren ('60 miljard landdieren en een biljoen zeedieren' per jaar) zoöcide. Een excuus voor vlees eten is ook al niet dat we het altijd hebben gedaan. De mensenoffers zijn afgeschaft en over kannibalisme is de mens in de loop der eeuwen ook anders gaan denken.

Goed, geen donderpreek misschien, maar dan toch wel een zedenpreek. Goed gedocumenteerd - veel bronnen overlappen met die van Eskens - en vlot geschreven, dat moet gezegd. Uiteindelijk stelt Ricard streng vast: 'Afgezien van volken die zonder jagen of vissen niet kunnen overleven lijkt het me onmogelijk een geldige, op moraal, rechtvaardigheid, welwillendheid of noodzaak gebaseerde reden te geven die rechtvaardiging biedt voor zich voeden, zich kleden of zich vermaken ten koste van het lijden en de dood van andere voelende wezens.' En nee, zo overstemt hij de piepende stem van de vleeseter: ook de zogenaamd lekkere smaak van vlees is geen excuus.

Anders dan Eskens ziet Ricard meer in gedragsverandering en 'compassie' dan in wetgeving. Hij hekelt de ridiculisering van veganisten en vegetariërs, hij schetst hoe ze onder vleeseters worden gezien als spelbreker. Dat het aantal vegetariërs (in Nederland ongeveer 4,5 procent van de bevolking) desondanks gestaag toeneemt, is dan hoopvol. De suggestie is duidelijk: de vleeseter van nu is de roker van veertig jaar geleden.

Moord

'Geen mens durft rauw vlees te eten; we koken en braden het, veranderen het met behulp van vuur en allerlei kruiden, we vermommen en versluieren de afschuwelijke moord, opdat onze smaak, bedrogen door al die vermommingen, niet afwijst wat hem vreemd is.'

De Romeinse geleerde Plutarchus (ca. 45-125), geciteerd door Matthieu Ricard

Geen hoop

'Wie stelt dat wezens geen verwachtingen, herinneringen, plannen hebben, niet voorbereiden en geen hoop, angst, verlangens en verdriet ervaren, die moet ook zeggen dat dieren geen behoefte hebben aan ogen of oren, hoewel ze die natuurlijk wel hebben.'

Plutarchus, geciteerd door Erno Eskens.

Laatst Gewijzigd: 06-10-2015