Een procesovereenkomst, mag dat?

Op 24 oktober 2012 promoveert mr. M.W. Knigge op haar proefschrift "De procesovereenkomst. Over de vrijheid van partijen het civiele proces vorm te geven."

Wat wilde u weten?

Mijn proefschrift gaat over de procesovereenkomst. Een procesovereenkomst is een overeenkomst waarbij partijen afwijken van het procesrecht.
In mijn proefschrift heb ik ten eerste de toelaatbaarheid van procesovereenkomsten onderzocht. In hoeverre mogen partijen afwijken van het procesrecht? Gekeken is of dit enkel mogelijk is indien dit expliciet uit de wet blijkt, of ook in andere gevallen. Kunnen partijen bijvoorbeeld de fundamentele beginselen van procesrecht bij overeenkomst buiten toepassing verklaren? Kunnen zij de bevoegdheid om te procederen zelfs geheel uitsluiten?
Daarnaast is de werking van de procesovereenkomst onderzocht. Welke gevolgen heeft een door partijen gesloten procesovereenkomst? Vloeien uit bijvoorbeeld een overeenkomst tot forumkeuze verbintenissen voort, zodat een partij in geval van schending recht op schadevergoeding heeft?
Ten slotte is gekeken welke regels voor de procesovereenkomst gelden. Wordt zij beheerst door het procesrecht, door het burgerlijk recht of zijn beide stelsels hierop van toepassing?


Waarom wilde u dat weten?

Procesovereenkomsten kunnen, zo wordt aangenomen, bijdragen aan een sneller en efficiënter verloop van de civiele procedure. Partijen kunnen door deze overeenkomsten zorgen voor een procedure op maat, die beter is afgestemd op de behoeften in hun zaak. Door de wetgever is om die reden in artikel 191 Rv een regeling opgenomen om het maken van dergelijke afspraken tussen partijen te faciliteren. Hoewel de wetgever wil stimuleren dat partijen bindende afspraken maken, bestaat over procesovereenkomsten nog veel onduidelijkheid. Wanneer kunnen partijen geldig een dergelijke overeenkomst sluiten? Welke gevolgen heeft zij? Met dit onderzoek heb ik meer duidelijkheid op dit terrein willen bieden.

Wat hebt u ontdekt?

Ik heb in dit proefschrift een beoordelingskader ontwikkeld aan de hand waarvan vastgesteld kan worden of partijen bij procesovereenkomst af kunnen wijken van het procesrecht.
Door uitleg zal moeten worden vastgesteld of een procesregel regelend van aard is. Uitgangspunt is daarbij dat het partijen vrij staat om af te wijken van het procesrecht, tenzij er specifieke redenen zijn aan te wijzen die aan afwijking in de weg staan. Dergelijke redenen kunnen zijn gelegen in het belang van bescherming van partijen of derden, het belang van een zo beperkt mogelijke inzet van overheidsmiddelen, het belang dat een voldoende toegang tot rechtspraak gewaarborgd blijft, het belang van vertrouwen in de rechtspraak en het belang van vertrouwen in de overheid. Indien geen van deze belangen aan afwijking van een procesregel in de weg staat, kunnen partijen geldig een procesovereenkomst sluiten.

Hoe hebt u dat ontdekt?

Ik heb hiervoor rechtspraak en literatuur bestudeerd. Daarbij heb ik vooral gebruik gemaakt van Duitse literatuur, waarin over het algemeen wordt uitgegaan van een zeer ruime toelaatbaarheid van procesovereenkomsten. De gedachte is dat indien een partij afstand kan doen van haar subjectieve recht, zij ook het mindere moet kunnen: enkel de afdwingbaarheid hiervan beperken. Er zou daarom geen beroep kunnen worden gedaan op bijvoorbeeld het openbare belang dat de waarheid in het geding aan het licht moet komen om te betogen dat een procesovereenkomst niet geldig gesloten kan worden.
In mijn proefschrift heb ik verdedigd dat dergelijke openbare belangen wel degelijk mee kunnen brengen dat partijen niet van het procesrecht af kunnen wijken. Op het moment dat een partij gaat procederen over haar subjectieve recht, raakt de rechter hierbij betrokken. Zijn gezag staat hierdoor op het spel. Indien een geschil aan de rechter wordt voorgelegd, moet het voor hem ook mogelijk zijn om dit geschil op een eerlijke manier en zo veel mogelijk op basis van de werkelijkheid te beoordelen. Het feit dat een partij geheel afstand kan doen van haar subjectieve recht, betekent daarom nog niet dat zij bij procesovereenkomst ook de afdwingbaarheid van dit recht kan beperken.

Hoe kunt u dat verklaren?

In hoeverre men procesovereenkomsten toelaatbaar acht, hangt sterk af van hoe men aankijkt tegen het karakter van het burgerlijk procesrecht. Het burgerlijk proces kent een dubbele doelstelling. Door middel van het civiele proces kunnen partijen hun subjectieve rechten afdwingen. Daarnaast heeft het proces ook als functie de rechtsvrede te waarborgen en de rechtsorde te handhaven. Indien men sterk de nadruk legt op de publieke belangen die het proces dient, zal men procesovereenkomsten niet snel toelaatbaar achten. Omgekeerd geldt dat indien men vooral oog heeft voor het proces als instrument voor de afdwinging van de subjectieve rechten van partijen, men juist komt tot een ruime toelaatbaarheid van procesovereenkomsten. Het is van belang tussen beide uitersten een goede balans te vinden.

Wat betekent uw resultaat voor uw vakgebied/de maatschappij?

Dit onderzoek biedt partijen en de rechter meer duidelijkheid. Zo kunnen partijen, die willen afwijken van de normaal geldende procesregels, gemakkelijker vaststellen welke overeenkomsten zij wel en welke zij niet geldig kunnen sluiten. Ook biedt het onderzoek houvast aan de rechter, die dergelijke afspraken van partijen dient te beoordelen.
Bovendien geeft dit onderzoek meer inzicht in de werking van door partijen procesovereenkomsten. Zo is gebleken dat uit dergelijke overeenkomsten enkel verbintenissen voor partijen voortvloeien indien zij dit ondubbelzinnig zijn overeengekomen. Ten slotte maakt dit onderzoek duidelijk welke regels op procesovereenkomsten van toepassing zijn.
Omdat op de bovengenoemde punten meer duidelijkheid bestaat, wordt het voor partijen aantrekkelijker om procesovereenkomsten te sluiten. Dergelijke overeenkomsten kunnen, zo wordt aangenomen, bijdragen aan een sneller en efficiënter verloop van de civiele procedure. Partijen kunnen door deze overeenkomsten zorgen voor een procedure op maat, die beter is afgestemd op de behoeften in hun zaak.

En verder?

Ik blijf na mijn promotie werken bij de afdeling Civiel recht van de Universiteit Leiden als universitair docent.

Meer informatie

Promotor: Prof. mr. H.J. Snijders

Datum en locatie:      
Mw. Knigge verdedigt haar proefschrift op woensdag 24 oktober 2012 om 16.15 uur in het Academiegebouw Rapenburg 73, te Leiden.

Laatst Gewijzigd: 27-09-2012